Tien September tweeduizend en zes
Mini-interview met Mila Fertek
Mila Fertek (1988) debuteert met haar bundel Het fijne leven dat mij wacht bij BnM uitgevers. In het prille voorjaar van 2006 zocht zij contact met de uitgever van BnM en kwam op deze wijze in contact met ondergetekende. Zij stuurde enkele gedichten naar de uitgeverij, met daarbij de vraag of de poëzieredacteur een idee voor haar had wat met ze te doen. Ik ried haar aan eens een literair tijdschrift aan te schrijven om te zien hoe haar klassiek getinte poëzie vallen zou. Het resultaat daarvan is te lezen in het jongste nummer van DWB. Een half jaar later voltooide zij haar debuutbundel.
1) Met welk gedicht zou je je aan je lezers willen voorstellen ?
Van de dingen die mij omsloten hebben
Van de dingen die mij omsloten hebben vanaf
Mijn prilste jeugd heb ik vol ernstige vreugde
Afstand gedaan
Daar te blijven en al die dingen te doen die mijn
Ouders voorouders neven en nichten doen en deden kwam
Mij weinig aantrekkelijk voor en ik besloot ijverig te gaan
Studeren zelfs in de jaren dat mijn schoonheid
Voor een ieder waarneembaar adembenemende
Vormen begon aan te nemen
In die jaren bleek mijn schoonheid mij een zware
Last te zijn een kleine gruwel voor mijn
Ontdekkende geest en duizendmaal meer
Hield ik van Cesare Pavese dan van de stoerste
Dapperste en naar men zei knapste jongen van
Mijn klas om wie ik eigenlijk vaak schateren
Moest vanwege zijn enorme ijdelheid maar
Mijn ernst hield gelukkig altijd de lach van mijn gezicht
Op mijn kleine knusse kamer boven waar ik vaak
Het tuimelraam open liet om de straatgeluiden
Te kunnen horen las ik nadat ik mijn huiswerk
Had gedaan Pessoa Pavese Whitman Kavafis Larkin
Leopardi Léautaud Walser Céline en meer en meer
Raakten de jongens uit mijn klas van mij weg
Enkelen hebben wel midden in de nacht
Steentjes tegen mijn raam geworpen om hees
Een soort fluisterend roepen betrachtend mijn naam
Omhoog te brengen tot aan mijn bed
Maar vreemd genoeg las ik altijd dan
En Hij Informeerde Naar De Kwaliteit
En nooit kon ik mij dan van het gedicht
Losmaken
2) Waarom poëzie?
Ik ben erg jong, maar vergis je niet, ik schrijf al 12 jaar. In de zomer van 1994, de zomer voordat ik naar groep 3 ging, alwaar je lezen en schrijven leren gaat, in die zomer heb ik mijzelf lezen en schrijven geleerd. Ik deed dat door letters te zien als symbolen, en door deze letters te vergelijken – boekjes, tijdschriften, kranten en gesproken taal – kraakte ik binnen een maand of twee de code. Het moment dat ik begreep dat ik controle over de materie bezat, is nog altijd het hoogtepunt van mijn leven. Waarom poëzie? Ik, vanaf dat geweldige ogenblik de kunst van het lezen en schrijven machtig te zijn, heb altijd geschreven. Ik hield van de lust die er, voor mij, mee samenhangt, de concentratie, de fantasiewerelden die je al schrijvende tot leven wekt. Ik hield van de schrijfbewegingen, het aan te vallen witte blad, het peinzen. Mijn stijl is nooit die van een kind geweest. Ik was niet in staat te schrijven als mijn leeftijdgenoten deden. Ik hield mijn schrijfwerk dan ook altijd weg van ze. Ze zouden er toch niets van hebben begrepen. Wat betreft mijn leraren en onderwijzers heb ik getracht, ten aanzien van het werk dat ik bij hen inleveren moest, zo gewoon mogelijk te schrijven. In een stijl die bij mijn leeftijd nog net paste. Echter in mijn vrije tijd schreef ik heel anders, ik was veel ouder dan zij konden vermoeden. Jij bent de eerste geweest die ik dat werk heb laten lezen! Wist je dat?
Daarnaast heb ik altijd ontzettend veel gelezen. Alles wat ik maar te pakken kon krijgen. Ik bezat vriendinnen noch vrienden, thuis trok ik met niemand op en mijn huiswerk kostte mij vrijwel geen tijd. Zodoende las ik las ik en las ik. Eerst nog veel jeugdboeken: De scheepsjongens van Bontekoe, De Artapappa’s en Rob en de Stroper van Tjot Idi maar ook al snel vanaf mijn twaalfde de echte kanonnen uit de wereldliteratuur. Waarom poëzie? Toen ik Kavafis, Pessoa en Pavese ontdekte, wist ik dat mijn lot bezegeld was, en ik had er meer dan vrede mee. Mijn leeftijd, vond ik, was geen enkel bezwaar. Er zijn er meer geweest!
Rimbaud, Fritz Kocher, Jotie T’Hooft, een soort tragische literaire Sid Vicious van zijn tijd, dat laatste heb ik niet van mijzelf, maar ook die ik al noemde: Kavafis en Pavese waren de dichtkunst al op zeer jonge leeftijd, op hoog niveau, toegedaan. Poëzie is mijn natuurlijke habitat, ik weet niet hoe dat komt. Wel hoop ik dat, dat weet ik eigenlijk nu al zeker, dat niet veranderen zal, dat begrijp je!
3) Welke dichters horen tot je inspiratiebronnen? Zou je kunnen uitleggen waarom en op welke wijze zij je eigen werk beïnvloeden!
Mijn voorkeur gaat uit naar de zuivere lyriek, met hier en daar een krasje, deukje of vlekje. De heldere taal: de elegant vormgegeven gedachte. Veel klassieke dichters, in mijn bundel noem ik er een aantal, zoals: Larkin, Whitman, Pavese, Pessoa, Leopardi en Kavafis. Maar ook bijvoorbeeld Rilke. Hierbij wil ik aantekenen dat de 154 verzen van Kavafis, in de vertaling van G.H. Blanken zo ongeveer mijn bijbel vormen. Het spijtige aan de klassieke poëzie, en dan ook meteen het enige spijtige, is dat deze ‘zingende’ dichtkunst vrijwel altijd gespeend van humor is. Volgens mij zou daarin, ten aanzien van hedendaagse klassieke dichters, het een en ander mogen veranderen. Maar verder helpen deze lui mij op geweldige wijze het leven door, voorzien mij van nooit gedachte standpunten, ongekende literair-erotische benaderingswijzen, de condition humaine, het dichterlijke kluizenaarschap, enzovoort, enzovoort. Ik ben hen daar eeuwig dankbaar voor.
4) Welk gedicht van een andere dichter zou je in de online bloemenlezing Nederlandstalige poëzie willen laten opnemen?
Een dichteres met wie ik mij, waar het de thematiek betreft, niet de stijl, zeer verwant voel is Fritzi Harmsen van den Beek. In mijn ogen, ondanks dat weinige dichtwerk van haar, de grootste dichteres die Nederland tot op heden bezeten heeft. Wat mij betreft de Nobelprijs waardig, jammer dat het zo weinig is. Een ongekende taalvirtuositeit gekoppeld aan solitair (vrouwelijk) lijden, altijd in verdorven, licht decadente omstandigheden. Ik was, en ben het nog altijd, er van ondersteboven.
Geachte Muizenpoot en Achttien andere gedichten, is werkelijk grandioos, groots, zo een petieterig bundeltje, ongelooflijk.
Twee raadselrijmen die samen een antwoord
vormen dat bij nader inzien is zoekgeraakt
1
Wat een ding ben ik in goed of kwaad?
In oorsprong omhooggevallen maar groeiend lager
En ondermaanser steeds zich vermoeiend en kwijtend
Van stoeten ritseldingen die eerder als vleugel-
Reuzen boven hun hemel hieven maar waarvan later
Kronieken niet meer vermelden langer waarheen gegaan-
O verleden als pijnen, als namen verdrongen zeker
Vergeten verteerd op die ongeheime offer- en afval-
Plekken waar bloem in drek en draf in kelk en het lange,
Lange lange wachten in langer niet meer wachten verkeert:
In hoe een ding en ben ik in vroeg of laat?
Wat in de grond gelijk gemaakt allenig lengt er
Niet en gaat uit dwalen, mierend overdag en ‘s nachts
Zijn tijd verkrekelend om neer te storten stommer,
Tweezaam sprakelozer en eenzelviger ontbonden als
Enkel ademnood zijn uitgesproken heiligheid beklom-
O verleefd wat aanbeden, verkreten of zaligverklaard wat
Opengebroken is dichtgetimmerd terwijl. Tederheidshalve
Onverteerbaar is wat vervuld voortdurend lediger en
Bevredigd alleen allener en alleen vredelozer maakt, nu:
Hoe een ding en ben ik zo zoekgeraakt?
2
In goed en kwaad waarachtig ben ik geweten,
Bekend en ontraadseld door wie mij ondervonden
Voorheen zo ondoorgrondelijk en ben ik blootgelegd.
Maar die mij dwong te slapen voordat hij wakker riep,
Hoe wil hij mij ontkennen die mijn geheim ontkrachtte en
Zocht er in te schuilen en meer als hij vermocht-Als
Iemand mij maar ver
Leiden kon van die verdoemde onheilige waar
Schijnlijkheid naartoe desnoods rare verklaringen
Nu er met spelletjes nog tijd te verslijten valt in
Vroeg of laat ben ik een ogenblik waarachtig
Bepaald en verduurzaamd door wie mij vergezelde
En even mede plichtig aan die kortstondigheid
Waar nu dan te berusten dan in uitgestrekte
Weerzinnige vervreemding of in anders welke
Beddingen van onbegrip zal ik mij ontvouwen-Als
Niemand mij dan thuis
Kan brengen alvorens ik verloren ga als dubbel
Zinnigheid zonder gelijke, als radeloos totaal onopgelost,
Valt geen extatischer vergissing in liquidatie te begrijpen
Dan ik en die alleen waarachtig tot oplossing bederven moet.
Reacties
Ik ben bang dat Nederland over haar zal vallen, verliefd zal worden, haar zal stalken tot en met, om slechts een glimp van Mila te mogen ontwaren, om slechts een regel van haar poëzie tot zich te laten komen, om even één woord in de armen te mogen sluiten.
Al klinkt het allemaal wel té perfect. Nergens een rammel of iets los, nergens rauw of iets vergeten. Zelfs het interview is prachtig. Zou de mooiste vrouw dan toch bestaan?
............................................................................................................................................
Ik zou weleens met Mila willen SPREKEN over de vraag waarom Blanken en niet Warren/Molegraaf?
............................................................................................................................................
Té perfect - ja, dat zou ik ook zeggen. Leuk publiciteitsstuntje wellicht? Wat ik in elk geval zeker weet: Geachte Muizenpoot en Achttien andere gedichten, is werkelijk grandioos, groots - da's 100% waar.